grijsrijden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From grijs ‎(gray) +‎ rijden ‎(to drive, to ride), as an analogy to zwartrijden.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

grijsrijden ‎(past singular reed grijs, past participle grijsgereden)

  1. to use public transport for a farther or more expensive destination that for which one has paid

Conjugation[edit]

Inflection of grijsrijden (strong class 1, separable)
infinitive grijsrijden
past singular reed grijs
past participle grijsgereden
infinitive grijsrijden
gerund grijsrijden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular rijd grijs reed grijs grijsrijd grijsreed
2nd person sing. (jij) rijdt grijs reed grijs grijsrijdt grijsreed
2nd person sing. (u) rijdt grijs reed grijs grijsrijdt grijsreed
2nd person sing. (gij) rijdt grijs reedt grijs grijsrijdt grijsreedt
3rd person singular rijdt grijs reed grijs grijsrijdt grijsreed
plural rijden grijs reden grijs grijsrijden grijsreden
subjunctive sing.1 rijde grijs rede grijs grijsrijde grijsrede
subjunctive plur.1 rijden grijs reden grijs grijsrijden grijsreden
imperative sing. rijd grijs
imperative plur.1 rijdt grijs
participles grijsrijdend grijsgereden
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Related terms[edit]