injecteren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From French injecter

Verb[edit]

injecteren

  1. inject (to push or pump something in)

Inflection[edit]

Inflection of injecteren (weak)
infinitive injecteren
past singular injecteerde
past participle geïnjecteerd
infinitive injecteren
gerund injecteren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular injecteer injecteerde
2nd person sing. (jij) injecteert injecteerde
2nd person sing. (u) injecteert injecteerde
2nd person sing. (gij) injecteert injecteerde
3rd person singular injecteert injecteerde
plural injecteren injecteerden
subjunctive sing.1 injectere injecteerde
subjunctive plur.1 injecteren injecteerden
imperative sing. injecteer
imperative plur.1 injecteert
participles injecterend geïnjecteerd
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Derived terms[edit]