nors

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

nors (comparative norser, superlative meest nors or norst)

  1. surly
    Als ik door de stad loop, vraag ik me vaak af: waarom zijn alle mensen, zo nors en zo kortaf? — As I walk through the city, I often wonder to myself: why are all the people, so surly and so abrupt? (KvK – Wakker met een wijsje)

Declension[edit]

Anagrams[edit]