opdragen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Danish[edit]

Verb[edit]

opdragen

  1. (when used as an adjective) past participle, common gender of opdrage

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

opdragen (past singular droeg op, past participle opgedragen)

  1. to assign a duty to, to charge with

Conjugation[edit]

Inflection of opdragen (strong class 6, separable)
infinitive opdragen
past singular droeg op
past participle opgedragen
infinitive opdragen
gerund opdragen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular draag op droeg op opdraag opdroeg
2nd person sing. (jij) draagt op droeg op opdraagt opdroeg
2nd person sing. (u) draagt op droeg op opdraagt opdroeg
2nd person sing. (gij) draagt op droegt op opdraagt opdroegt
3rd person singular draagt op droeg op opdraagt opdroeg
plural dragen op droegen op opdragen opdroegen
subjunctive sing.1 drage op droege op opdrage opdroege
subjunctive plur.1 dragen op droegen op opdragen opdroegen
imperative sing. draag op
imperative plur.1 draagt op
participles opdragend opgedragen
1) Archaic.

Anagrams[edit]