opletten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

opletten ‎(past singular lette op, past participle opgelet)

  1. To attend, pay attention
    let goed op zodat je niet verdwaald — pay close attention so that you don't get lost

Conjugation[edit]

Inflection of opletten (weak, separable)
infinitive opletten
past singular lette op
past participle opgelet
infinitive opletten
gerund opletten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular let op lette op oplet oplette
2nd person sing. (jij) let op lette op oplet oplette
2nd person sing. (u) let op lette op oplet oplette
2nd person sing. (gij) let op lette op oplet oplette
3rd person singular let op lette op oplet oplette
plural letten op letten op opletten opletten
subjunctive sing.1 lette op lette op oplette oplette
subjunctive plur.1 letten op letten op opletten opletten
imperative sing. let op
imperative plur.1 let op
participles oplettend opgelet
1) Archaic.

Anagrams[edit]