opzoeken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

op +‎ zoeken

Verb[edit]

opzoeken

  1. to visit
  2. to seek, look for
  3. to look up (i.e. look something up, say, in a directory)

Inflection[edit]

Inflection of opzoeken (weak with past in -cht, separable)
infinitive opzoeken
past singular zocht op
past participle opgezocht
infinitive opzoeken
gerund opzoeken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zoek op zocht op opzoek opzocht
2nd person sing. (jij) zoekt op zocht op opzoekt opzocht
2nd person sing. (u) zoekt op zocht op opzoekt opzocht
2nd person sing. (gij) zoekt op zocht op opzoekt opzocht
3rd person singular zoekt op zocht op opzoekt opzocht
plural zoeken op zochten op opzoeken opzochten
subjunctive sing.1 zoeke op zochte op opzoeke opzochte
subjunctive plur.1 zoeken op zochten op opzoeken opzochten
imperative sing. zoek op
imperative plur.1 zoekt op
participles opzoekend opgezocht
1) Archaic.

Anagrams[edit]