uitdenken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ denken

Verb[edit]

uitdenken

  1. to conceive (a plan)
  2. to invent, think outside the box

Inflection[edit]

Inflection of uitdenken (weak with past in -cht, separable)
infinitive uitdenken
past singular dacht uit
past participle uitgedacht
infinitive uitdenken
gerund uitdenken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular denk uit dacht uit uitdenk uitdacht
2nd person sing. (jij) denkt uit dacht uit uitdenkt uitdacht
2nd person sing. (u) denkt uit dacht uit uitdenkt uitdacht
2nd person sing. (gij) denkt uit dacht uit uitdenkt uitdacht
3rd person singular denkt uit dacht uit uitdenkt uitdacht
plural denken uit dachten uit uitdenken uitdachten
subjunctive sing.1 denke uit dachte uit uitdenke uitdachte
subjunctive plur.1 denken uit dachten uit uitdenken uitdachten
imperative sing. denk uit
imperative plur.1 denkt uit
participles uitdenkend uitgedacht
1) Archaic.

Anagrams[edit]