uitgeven

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit- +‎ geven

Verb[edit]

uitgeven ‎(past singular gaf uit, past participle uitgegeven)

  1. to spend
  2. to publish
    Zijn bekendste werk, de Ethica, werd na zijn dood uitgegeven. — His most known work, the Ethics, was published after his death.

Conjugation[edit]

Inflection of uitgeven (strong class 5, separable)
infinitive uitgeven
past singular gaf uit
past participle uitgegeven
infinitive uitgeven
gerund uitgeven n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular geef uit gaf uit uitgeef uitgaf
2nd person sing. (jij) geeft uit gaf uit uitgeeft uitgaf
2nd person sing. (u) geeft uit gaf uit uitgeeft uitgaf
2nd person sing. (gij) geeft uit gaaft uit uitgeeft uitgaaft
3rd person singular geeft uit gaf uit uitgeeft uitgaf
plural geven uit gaven uit uitgeven uitgaven
subjunctive sing.1 geve uit gave uit uitgeve uitgave
subjunctive plur.1 geven uit gaven uit uitgeven uitgaven
imperative sing. geef uit
imperative plur.1 geeft uit
participles uitgevend uitgegeven
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]