uitladen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From uit +‎ laden.

Verb[edit]

uitladen

  1. to load out, to unload

Inflection[edit]

Inflection of uitladen (weak with strong past participle, separable)
infinitive uitladen
past singular laadde uit
past participle uitgeladen
infinitive uitladen
gerund uitladen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular laad uit laadde uit uitlaad uitlaadde
2nd person sing. (jij) laadt uit laadde uit uitlaadt uitlaadde
2nd person sing. (u) laadt uit laadde uit uitlaadt uitlaadde
2nd person sing. (gij) laadt uit laadde uit uitlaadt uitlaadde
3rd person singular laadt uit laadde uit uitlaadt uitlaadde
plural laden uit laadden uit uitladen uitlaadden
subjunctive sing.1 lade uit laadde uit uitlade uitlaadde
subjunctive plur.1 laden uit laadden uit uitladen uitlaadden
imperative sing. laad uit
imperative plur.1 laadt uit
participles uitladend uitgeladen
1) Archaic.

Antonyms[edit]

Anagrams[edit]