uitoefenen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ oefenen

Verb[edit]

uitoefenen

  1. to exert

Inflection[edit]

Inflection of uitoefenen (weak, separable)
infinitive uitoefenen
past singular oefende uit
past participle uitgeoefend
infinitive uitoefenen
gerund uitoefenen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular oefen uit oefende uit uitoefen uitoefende
2nd person sing. (jij) oefent uit oefende uit uitoefent uitoefende
2nd person sing. (u) oefent uit oefende uit uitoefent uitoefende
2nd person sing. (gij) oefent uit oefende uit uitoefent uitoefende
3rd person singular oefent uit oefende uit uitoefent uitoefende
plural oefenen uit oefenden uit uitoefenen uitoefenden
subjunctive sing.1 oefene uit oefende uit uitoefene uitoefende
subjunctive plur.1 oefenen uit oefenden uit uitoefenen uitoefenden
imperative sing. oefen uit
imperative plur.1 oefent uit
participles uitoefenend uitgeoefend
1) Archaic.

Anagrams[edit]