uitschijnen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ schijnen

Verb[edit]

uitschijnen

  1. To imply, to let know (Flemish) or to illuminate something.

Inflection[edit]

Inflection of uitschijnen (strong class 1, separable)
infinitive uitschijnen
past singular scheen uit
past participle uitgeschenen
infinitive uitschijnen
gerund uitschijnen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular schijn uit scheen uit uitschijn uitscheen
2nd person sing. (jij) schijnt uit scheen uit uitschijnt uitscheen
2nd person sing. (u) schijnt uit scheen uit uitschijnt uitscheen
2nd person sing. (gij) schijnt uit scheent uit uitschijnt uitscheent
3rd person singular schijnt uit scheen uit uitschijnt uitscheen
plural schijnen uit schenen uit uitschijnen uitschenen
subjunctive sing.1 schijne uit schene uit uitschijne uitschene
subjunctive plur.1 schijnen uit schenen uit uitschijnen uitschenen
imperative sing. schijn uit
imperative plur.1 schijnt uit
participles uitschijnend uitgeschenen
1) Archaic.

Anagrams[edit]