uittikken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From uit +‎ tikken.

Verb[edit]

uittikken

  1. to tap out
  2. to eliminate from a game by tagging

Inflection[edit]

Inflection of uittikken (weak, separable)
infinitive uittikken
past singular tikte uit
past participle uitgetikt
infinitive uittikken
gerund uittikken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular tik uit tikte uit uittik uittikte
2nd person sing. (jij) tikt uit tikte uit uittikt uittikte
2nd person sing. (u) tikt uit tikte uit uittikt uittikte
2nd person sing. (gij) tikt uit tikte uit uittikt uittikte
3rd person singular tikt uit tikte uit uittikt uittikte
plural tikken uit tikten uit uittikken uittikten
subjunctive sing.1 tikke uit tikte uit uittikke uittikte
subjunctive plur.1 tikken uit tikten uit uittikken uittikten
imperative sing. tik uit
imperative plur.1 tikt uit
participles uittikkend uitgetikt
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]