vloeken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch vloeken, from Old Dutch fluokon.

Verb[edit]

vloeken

  1. (intransitive) To curse, to damn, invoke a negative spell.
  2. (intransitive) To blaspheme, curse, swear.
  3. (figuratively) To clash, go very badly with

Inflection[edit]

Inflection of vloeken (weak)
infinitive vloeken
past singular vloekte
past participle gevloekt
infinitive vloeken
gerund vloeken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vloek vloekte
2nd person sing. (jij) vloekt vloekte
2nd person sing. (u) vloekt vloekte
2nd person sing. (gij) vloekt vloekte
3rd person singular vloekt vloekte
plural vloeken vloekten
subjunctive sing.1 vloeke vloekte
subjunctive plur.1 vloeken vloekten
imperative sing. vloek
imperative plur.1 vloekt
participles vloekend gevloekt
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Noun[edit]

vloeken

  1. Plural form of vloek

Middle Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Old Dutch fluokon.

Verb[edit]

vloeken

  1. to curse, to wish misfortune upon
  2. to curse, to express discontent over

Inflection[edit]

This verb needs an inflection-table template.

Descendants[edit]

Further reading[edit]

  • vloeken”, in Vroegmiddelnederlands Woordenboek, 2000
  • vloeken”, in Middelnederlandsch Woordenboek, 1929