wegsluipen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

wegsluipen

  1. to sneak off, slip away

Inflection[edit]

Inflection of wegsluipen (strong class 2, separable)
infinitive wegsluipen
past singular sloop weg
past participle weggeslopen
infinitive wegsluipen
gerund wegsluipen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sluip weg sloop weg wegsluip wegsloop
2nd person sing. (jij) sluipt weg sloop weg wegsluipt wegsloop
2nd person sing. (u) sluipt weg sloop weg wegsluipt wegsloop
2nd person sing. (gij) sluipt weg sloopt weg wegsluipt wegsloopt
3rd person singular sluipt weg sloop weg wegsluipt wegsloop
plural sluipen weg slopen weg wegsluipen wegslopen
subjunctive sing.1 sluipe weg slope weg wegsluipe wegslope
subjunctive plur.1 sluipen weg slopen weg wegsluipen wegslopen
imperative sing. sluip weg
imperative plur.1 sluipt weg
participles wegsluipend weggeslopen
1) Archaic.

Anagrams[edit]