zondig

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From zonde ‎(sin) + -ig ‎(-ful).

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

zondig ‎(comparative zondiger, superlative zondigst)

  1. sinful

Declension[edit]

Inflection of zondig
uninflected zondig
inflected zondige
comparative zondiger
positive comparative superlative
predicative/adverbial zondig zondiger het zondigst
het zondigste
indefinite m./f. sing. zondige zondigere zondigste
n. sing. zondig zondiger zondigste
plural zondige zondigere zondigste
definite zondige zondigere zondigste
partitive zondigs zondigers