zuinig

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

zuinig ‎(comparative zuiniger, superlative zuinigst)

  1. economical, careful with expenses
  2. efficient, not wasteful
    Een zuinige motor ontziet beurs en milieu
    An efficient motor spares wallet and environment
  3. (by extension) stingy

Inflection[edit]

Inflection of zuinig
uninflected zuinig
inflected zuinige
comparative zuiniger
positive comparative superlative
predicative/adverbial zuinig zuiniger het zuinigst
het zuinigste
indefinite m./f. sing. zuinige zuinigere zuinigste
n. sing. zuinig zuiniger zuinigste
plural zuinige zuinigere zuinigste
definite zuinige zuinigere zuinigste
partitive zuinigs zuinigers

Derived terms[edit]

See also[edit]