bezuinigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From be- +‎ zuinig +‎ -en.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /bəˈzœy̯nəɣə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: be‧zui‧ni‧gen

Verb[edit]

bezuinigen

  1. (intransitive) to economize, to cut the budget

Inflection[edit]

Inflection of bezuinigen (weak, prefixed)
infinitive bezuinigen
past singular bezuinigde
past participle bezuinigd
infinitive bezuinigen
gerund bezuinigen n
present tense past tense
1st person singular bezuinig bezuinigde
2nd person sing. (jij) bezuinigt bezuinigde
2nd person sing. (u) bezuinigt bezuinigde
2nd person sing. (gij) bezuinigt bezuinigde
3rd person singular bezuinigt bezuinigde
plural bezuinigen bezuinigden
subjunctive sing.1 bezuinige bezuinigde
subjunctive plur.1 bezuinigen bezuinigden
imperative sing. bezuinig
imperative plur.1 bezuinigt
participles bezuinigend bezuinigd
1) Archaic.

Derived terms[edit]