aankijken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ kijken.

Verb[edit]

aankijken

  1. (transitive) to look at, to look in the eye

Inflection[edit]

Inflection of aankijken (strong class 1, separable)
infinitive aankijken
past singular keek aan
past participle aangekeken
infinitive aankijken
gerund aankijken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kijk aan keek aan aankijk aankeek
2nd person sing. (jij) kijkt aan keek aan aankijkt aankeek
2nd person sing. (u) kijkt aan keek aan aankijkt aankeek
2nd person sing. (gij) kijkt aan keekt aan aankijkt aankeekt
3rd person singular kijkt aan keek aan aankijkt aankeek
plural kijken aan keken aan aankijken aankeken
subjunctive sing.1 kijke aan keke aan aankijke aankeke
subjunctive plur.1 kijken aan keken aan aankijken aankeken
imperative sing. kijk aan
imperative plur.1 kijkt aan
participles aankijkend aangekeken
1) Archaic.

Anagrams[edit]