aantasten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ tasten.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aantasten

  1. (transitive) to affect badly, to damage (by contact), to attack (chemically)
  2. (transitive, obsolete) to grab or hold with the fingers
    • 1845, C.F. van de Velde, "De gelaatkunde van Tesselschade", in Klaverblad van vieren, J. van de Velde Olivier, page 14.
      Hij had den naam, dat hij veel eerder, dan een ander, een heet hangijzer durfde aantasten; en zou hij nu voor altijd dien naam, als door eene eklips, verduisterd zien?

Inflection[edit]

Inflection of aantasten (weak, separable)
infinitive aantasten
past singular tastte aan
past participle aangetast
infinitive aantasten
gerund aantasten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular tast aan tastte aan aantast aantastte
2nd person sing. (jij) tast aan tastte aan aantast aantastte
2nd person sing. (u) tast aan tastte aan aantast aantastte
2nd person sing. (gij) tast aan tastte aan aantast aantastte
3rd person singular tast aan tastte aan aantast aantastte
plural tasten aan tastten aan aantasten aantastten
subjunctive sing.1 taste aan tastte aan aantaste aantastte
subjunctive plur.1 tasten aan tastten aan aantasten aantastten
imperative sing. tast aan
imperative plur.1 tast aan
participles aantastend aangetast
1) Archaic.

Anagrams[edit]