aantasten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ tasten.

Verb[edit]

aantasten

  1. to affect badly, to damage (by contact), to attack (chemically)

Inflection[edit]

Inflection of aantasten (weak, separable)
infinitive aantasten
past singular tastte aan
past participle aangetast
infinitive aantasten
gerund aantasten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular tast aan tastte aan aantast aantastte
2nd person sing. (jij) tast aan tastte aan aantast aantastte
2nd person sing. (u) tast aan tastte aan aantast aantastte
2nd person sing. (gij) tast aan tastte aan aantast aantastte
3rd person singular tast aan tastte aan aantast aantastte
plural tasten aan tastten aan aantasten aantastten
subjunctive sing.1 taste aan tastte aan aantaste aantastte
subjunctive plur.1 tasten aan tastten aan aantasten aantastten
imperative sing. tast aan
imperative plur.1 tast aan
participles aantastend aangetast
1) Archaic.

Anagrams[edit]