afwachten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From af +‎ wachten.

Verb[edit]

afwachten

  1. (transitive) to wait (for), await
  2. (transitive, Limburg) to expect

Inflection[edit]

Inflection of afwachten (weak, separable)
infinitive afwachten
past singular wachtte af
past participle afgewacht
infinitive afwachten
gerund afwachten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular wacht af wachtte af afwacht afwachtte
2nd person sing. (jij) wacht af wachtte af afwacht afwachtte
2nd person sing. (u) wacht af wachtte af afwacht afwachtte
2nd person sing. (gij) wacht af wachtte af afwacht afwachtte
3rd person singular wacht af wachtte af afwacht afwachtte
plural wachten af wachtten af afwachten afwachtten
subjunctive sing.1 wachte af wachtte af afwachte afwachtte
subjunctive plur.1 wachten af wachtten af afwachten afwachtten
imperative sing. wacht af
imperative plur.1 wacht af
participles afwachtend afgewacht
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]