bekend

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Danish[edit]

Verb[edit]

bekend

  1. imperative of bekende

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From the root of kennen ‎(to know).

Adjective[edit]

bekend ‎(comparative bekender, superlative bekendst)

  1. (well-)known
  2. familiar, trusted

Inflection[edit]

Inflection of bekend
uninflected bekend
inflected bekende
comparative bekender
positive comparative superlative
predicative/adverbial bekend bekender het bekendst
het bekendste
indefinite m./f. sing. bekende bekendere bekendste
n. sing. bekend bekender bekendste
plural bekende bekendere bekendste
definite bekende bekendere bekendste
partitive bekends bekenders

Antonyms[edit]

Derived terms[edit]

Participle[edit]

bekend

  1. past participle of bekennen

Inflection[edit]

Inflection of bekend
uninflected bekend
inflected bekende
comparative
positive
predicative/adverbial bekend
indefinite m./f. sing. bekende
n. sing. bekend
plural bekende
definite bekende
partitive bekends

Anagrams[edit]