bekennen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

be- +‎ kennen

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bekennen ‎(past singular bekende, past participle bekend)

  1. to acknowledge, confess

Conjugation[edit]

Inflection of bekennen (weak, prefixed)
infinitive bekennen
past singular bekende
past participle bekend
infinitive bekennen
gerund bekennen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beken bekende
2nd person sing. (jij) bekent bekende
2nd person sing. (u) bekent bekende
2nd person sing. (gij) bekent bekende
3rd person singular bekent bekende
plural bekennen bekenden
subjunctive sing.1 bekenne bekende
subjunctive plur.1 bekennen bekenden
imperative sing. beken
imperative plur.1 bekent
participles bekennend bekend
1) Archaic.

Derived terms[edit]


German[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

be- +‎ kennen

Verb[edit]

bekennen ‎(strong, third-person singular simple present bekennt, past tense bekannte, past participle bekannt, past subjunctive bekennte, auxiliary haben)

  1. to confess

Conjugation[edit]

Derived terms[edit]

External links[edit]