bonken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bonken (past singular bonkte, past participle gebonkt)

  1. (tegen) to bang (against), to smash (against)
    Ze bonkte als een zak aardappelen tegen het been van de reus -- She banged against the giant's leg like a sack of potatos (from de Grote Vriendelijk Reus).

Conjugation[edit]

Inflection of bonken (weak)
infinitive bonken
past singular bonkte
past participle gebonkt
infinitive bonken
gerund bonken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bonk bonkte
2nd person sing. (jij) bonkt bonkte
2nd person sing. (u) bonkt bonkte
2nd person sing. (gij) bonkt bonkte
3rd person singular bonkt bonkte
plural bonken bonkten
subjunctive sing.1 bonke bonkte
subjunctive plur.1 bonken bonkten
imperative sing. bonk
imperative plur.1 bonkt
participles bonkend gebonkt
1) Archaic.