gezegen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

  1. past participle of zijgen

Participle[edit]

gezegen

  1. slumped, downfallen

Declension[edit]

Inflection of gezegen
uninflected gezegen
inflected gezegen
comparative
positive
predicative/adverbial gezegen
indefinite m./f. sing. gezegen
n. sing. gezegen
plural gezegen
definite gezegen
partitive gezegens

Etymology 2[edit]

ge- +‎ zegenen

Noun[edit]

gezegen n (uncountable)

  1. (the act of) blessing
    • 1874, H. J. J. Prenger, “Eene huwelijksplechtigheid volgens den ritus der Russische Kerk”, in De Katholiek, number 66, page 91–92:
      Bovendien maakt thans òf de ongeloovige geest des predikants, òf die van het echtpaar, òf van het gehoor, òf zelfs van allen, die bij het sluiten van den echt betrokken zijn, dat geheele gebed en al dat gezegen dikwerf tot eene zoetsappige huichelarij.

Turkish[edit]

Etymology[edit]

From gezmek (to wander).

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ɡezeˈɡen/
  • Hyphenation: ge‧ze‧gen

Noun[edit]

gezegen (definite accusative gezegeni, plural gezegenler)

  1. (astronomy) planet

Declension[edit]

Synonyms[edit]

Hypernyms[edit]

Hyponyms[edit]

Derived terms[edit]

Related terms[edit]