isoleren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

isoleren ‎(past singular isoleerde, past participle geïsoleerd)

  1. to isolate
  2. to insulate

Conjugation[edit]

Inflection of isoleren (weak)
infinitive isoleren
past singular isoleerde
past participle geïsoleerd
infinitive isoleren
gerund isoleren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular isoleer isoleerde
2nd person sing. (jij) isoleert isoleerde
2nd person sing. (u) isoleert isoleerde
2nd person sing. (gij) isoleert isoleerde
3rd person singular isoleert isoleerde
plural isoleren isoleerden
subjunctive sing.1 isolere isoleerde
subjunctive plur.1 isoleren isoleerden
imperative sing. isoleer
imperative plur.1 isoleert
participles isolerend geïsoleerd
1) Archaic.