nieuw

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch niewe, from Old Dutch niuwi, from Proto-Germanic *niwjaz, from Proto-Indo-European *néwyos.

Adjective[edit]

nieuw (comparative nieuwer, superlative nieuwst)

  1. new
    Het nieuwe huis dat zij gekocht hebben is niet bijzonder indrukwekkend.
    The new house they bought is not especially impressive.

Inflection[edit]

Inflection of nieuw
uninflected nieuw
inflected nieuwe
comparative nieuwer
positive comparative superlative
predicative/adverbial nieuw nieuwer het nieuwst
het nieuwste
indefinite m./f. sing. nieuwe nieuwere nieuwste
n. sing. nieuw nieuwer nieuwste
plural nieuwe nieuwere nieuwste
definite nieuwe nieuwere nieuwste
partitive nieuws nieuwers

Derived terms[edit]