onteren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

ont- ‎(dis-) +‎ eer ‎(honor)

Verb[edit]

onteren

  1. to dishonor
    Je kunt dat niet doen zonder zijn nagedachtenis te onteren.
    You cannot do that without dishonoring his memory.
  2. to abuse sexually, to rape (notably a virgin)

Inflection[edit]

Inflection of onteren (weak, prefixed)
infinitive onteren
past singular onteerde
past participle onteerd
infinitive onteren
gerund onteren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular onteer onteerde
2nd person sing. (jij) onteert onteerde
2nd person sing. (u) onteert onteerde
2nd person sing. (gij) onteert onteerde
3rd person singular onteert onteerde
plural onteren onteerden
subjunctive sing.1 ontere onteerde
subjunctive plur.1 onteren onteerden
imperative sing. onteer
imperative plur.1 onteert
participles onterend onteerd
1) Archaic.

See also[edit]

Anagrams[edit]