ontvreemden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From ont- +‎ vreemd +‎ -en.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˌɔntˈvreːm.də(n)/
  • (file)
  • Rhymes: -eːmdən

Verb[edit]

ontvreemden

  1. to steal

Inflection[edit]

Inflection of ontvreemden (weak, prefixed)
infinitive ontvreemden
past singular ontvreemdde
past participle ontvreemd
infinitive ontvreemden
gerund ontvreemden n
present tense past tense
1st person singular ontvreemd ontvreemdde
2nd person sing. (jij) ontvreemdt ontvreemdde
2nd person sing. (u) ontvreemdt ontvreemdde
2nd person sing. (gij) ontvreemdt ontvreemdde
3rd person singular ontvreemdt ontvreemdde
plural ontvreemden ontvreemdden
subjunctive sing.1 ontvreemde ontvreemdde
subjunctive plur.1 ontvreemden ontvreemdden
imperative sing. ontvreemd
imperative plur.1 ontvreemdt
participles ontvreemdend ontvreemd
1) Archaic.