opdoen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From op +‎ doen.

Verb[edit]

opdoen

  1. to acquire

Inflection[edit]

Inflection of opdoen (strong class non-standard, irregular, separable)
infinitive opdoen
past singular deed op
past participle opgedaan
infinitive opdoen
gerund opdoen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular doe op deed op opdoe opdeed
2nd person sing. (jij) doet op deed op opdoet opdeed
2nd person sing. (u) doet op deed op opdoet opdeed
2nd person sing. (gij) doet op deedt op opdoet opdeedt
3rd person singular doet op deed op opdoet opdeed
plural doen op deden op opdoen opdeden
subjunctive sing.1 doe op dede op opdoe opdede
subjunctive plur.1 doen op deden op opdoen opdeden
imperative sing. doe op
imperative plur.1 doet op
participles opdoend opgedaan
1) Archaic.

Anagrams[edit]