opdringen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

op +‎ dringen

Verb[edit]

opdringen

  1. to push someone; to forcibly make someone accept something

Inflection[edit]

Inflection of opdringen (strong class 3, separable)
infinitive opdringen
past singular drong op
past participle opgedrongen
infinitive opdringen
gerund opdringen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular dring op drong op opdring opdrong
2nd person sing. (jij) dringt op drong op opdringt opdrong
2nd person sing. (u) dringt op drong op opdringt opdrong
2nd person sing. (gij) dringt op drongt op opdringt opdrongt
3rd person singular dringt op drong op opdringt opdrong
plural dringen op drongen op opdringen opdrongen
subjunctive sing.1 dringe op dronge op opdringe opdronge
subjunctive plur.1 dringen op drongen op opdringen opdrongen
imperative sing. dring op
imperative plur.1 dringt op
participles opdringend opgedrongen
1) Archaic.

Anagrams[edit]