opduiken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

op +‎ duiken

Verb[edit]

opduiken

  1. to appear

Inflection[edit]

Inflection of opduiken (strong class 2, separable)
infinitive opduiken
past singular dook op
past participle opgedoken
infinitive opduiken
gerund opduiken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular duik op dook op opduik opdook
2nd person sing. (jij) duikt op dook op opduikt opdook
2nd person sing. (u) duikt op dook op opduikt opdook
2nd person sing. (gij) duikt op dookt op opduikt opdookt
3rd person singular duikt op dook op opduikt opdook
plural duiken op doken op opduiken opdoken
subjunctive sing.1 duike op doke op opduike opdoke
subjunctive plur.1 duiken op doken op opduiken opdoken
imperative sing. duik op
imperative plur.1 duikt op
participles opduikend opgedoken
1) Archaic.

Anagrams[edit]