ophogen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

op +‎ hoog +‎ -en

Verb[edit]

ophogen

  1. to raise, make higher

Inflection[edit]

Inflection of ophogen (weak, separable)
infinitive ophogen
past singular hoogde op
past participle opgehoogd
infinitive ophogen
gerund ophogen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular hoog op hoogde op ophoog ophoogde
2nd person sing. (jij) hoogt op hoogde op ophoogt ophoogde
2nd person sing. (u) hoogt op hoogde op ophoogt ophoogde
2nd person sing. (gij) hoogt op hoogde op ophoogt ophoogde
3rd person singular hoogt op hoogde op ophoogt ophoogde
plural hogen op hoogden op ophogen ophoogden
subjunctive sing.1 hoge op hoogde op ophoge ophoogde
subjunctive plur.1 hogen op hoogden op ophogen ophoogden
imperative sing. hoog op
imperative plur.1 hoogt op
participles ophogend opgehoogd
1) Archaic.

Anagrams[edit]