oprijzen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

op +‎ rijzen

Verb[edit]

oprijzen

  1. to arise, to rise up

Inflection[edit]

Inflection of oprijzen (strong class 1, separable)
infinitive oprijzen
past singular rees op
past participle opgerezen
infinitive oprijzen
gerund oprijzen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular rijs op rees op oprijs oprees
2nd person sing. (jij) rijst op rees op oprijst oprees
2nd person sing. (u) rijst op rees op oprijst oprees
2nd person sing. (gij) rijst op reest op oprijst opreest
3rd person singular rijst op rees op oprijst oprees
plural rijzen op rezen op oprijzen oprezen
subjunctive sing.1 rijze op reze op oprijze opreze
subjunctive plur.1 rijzen op rezen op oprijzen oprezen
imperative sing. rijs op
imperative plur.1 rijst op
participles oprijzend opgerezen
1) Archaic.

Anagrams[edit]