opsporen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

op +‎ sporen

Verb[edit]

opsporen

  1. to trace, identify

Inflection[edit]

Inflection of opsporen (weak, separable)
infinitive opsporen
past singular spoorde op
past participle opgespoord
infinitive opsporen
gerund opsporen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular spoor op spoorde op opspoor opspoorde
2nd person sing. (jij) spoort op spoorde op opspoort opspoorde
2nd person sing. (u) spoort op spoorde op opspoort opspoorde
2nd person sing. (gij) spoort op spoorde op opspoort opspoorde
3rd person singular spoort op spoorde op opspoort opspoorde
plural sporen op spoorden op opsporen opspoorden
subjunctive sing.1 spore op spoorde op opspore opspoorde
subjunctive plur.1 sporen op spoorden op opsporen opspoorden
imperative sing. spoor op
imperative plur.1 spoort op
participles opsporend opgespoord
1) Archaic.

Anagrams[edit]