rechtvaardigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

rechtvaardig 'just' + -en

Pronunciation[edit]

  • (file)

Verb[edit]

rechtvaardigen ‎(past singular rechtvaardigde, past participle gerechtvaardigd)

  1. (transitive) To justify, provide an acceptable motivation or explanation

Conjugation[edit]

Inflection of rechtvaardigen (weak)
infinitive rechtvaardigen
past singular rechtvaardigde
past participle gerechtvaardigd
infinitive rechtvaardigen
gerund rechtvaardigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular rechtvaardig rechtvaardigde
2nd person sing. (jij) rechtvaardigt rechtvaardigde
2nd person sing. (u) rechtvaardigt rechtvaardigde
2nd person sing. (gij) rechtvaardigt rechtvaardigde
3rd person singular rechtvaardigt rechtvaardigde
plural rechtvaardigen rechtvaardigden
subjunctive sing.1 rechtvaardige rechtvaardigde
subjunctive plur.1 rechtvaardigen rechtvaardigden
imperative sing. rechtvaardig
imperative plur.1 rechtvaardigt
participles rechtvaardigend gerechtvaardigd
1) Archaic.

Related terms[edit]

Derived terms[edit]