samenkomen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From samen +‎ komen.

Verb[edit]

samenkomen

  1. to come together, to meet, to assemble

Inflection[edit]

Inflection of samenkomen (strong class 4, irregular, separable)
infinitive samenkomen
past singular kwam samen
past participle samengekomen
infinitive samenkomen
gerund samenkomen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kom samen kwam samen samenkom samenkwam
2nd person sing. (jij) komt samen kwam samen samenkomt samenkwam
2nd person sing. (u) komt samen kwam samen samenkomt samenkwam
2nd person sing. (gij) komt samen kwaamt samen samenkomt samenkwaamt
3rd person singular komt samen kwam samen samenkomt samenkwam
plural komen samen kwamen samen samenkomen samenkwamen
subjunctive sing.1 kome samen kwame samen samenkome samenkwame
subjunctive plur.1 komen samen kwamen samen samenkomen samenkwamen
imperative sing. kom samen
imperative plur.1 komt samen
participles samenkomend samengekomen
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]