tegenspreken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

tegen +‎ spreken

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

tegenspreken ‎(past singular sprak tegen, past participle tegengesproken)

  1. to contradict

Conjugation[edit]

Inflection of tegenspreken (strong class 4, separable)
infinitive tegenspreken
past singular sprak tegen
past participle tegengesproken
infinitive tegenspreken
gerund tegenspreken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular spreek tegen sprak tegen tegenspreek tegensprak
2nd person sing. (jij) spreekt tegen sprak tegen tegenspreekt tegensprak
2nd person sing. (u) spreekt tegen sprak tegen tegenspreekt tegensprak
2nd person sing. (gij) spreekt tegen spraakt tegen tegenspreekt tegenspraakt
3rd person singular spreekt tegen sprak tegen tegenspreekt tegensprak
plural spreken tegen spraken tegen tegenspreken tegenspraken
subjunctive sing.1 spreke tegen sprake tegen tegenspreke tegensprake
subjunctive plur.1 spreken tegen spraken tegen tegenspreken tegenspraken
imperative sing. spreek tegen
imperative plur.1 spreekt tegen
participles tegensprekend tegengesproken
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Anagrams[edit]