terugtreden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

terugtreden

  1. to withdraw

Inflection[edit]

Inflection of terugtreden (strong class 5, separable)
infinitive terugtreden
past singular trad terug
past participle teruggetreden
infinitive terugtreden
gerund terugtreden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular treed terug trad terug terugtreed terugtrad
2nd person sing. (jij) treedt terug trad terug terugtreedt terugtrad
2nd person sing. (u) treedt terug trad terug terugtreedt terugtrad
2nd person sing. (gij) treedt terug traadt terug terugtreedt terugtraadt
3rd person singular treedt terug trad terug terugtreedt terugtrad
plural treden terug traden terug terugtreden terugtraden
subjunctive sing.1 trede terug trade terug terugtrede terugtrade
subjunctive plur.1 treden terug traden terug terugtreden terugtraden
imperative sing. treed terug
imperative plur.1 treedt terug
participles terugtredend teruggetreden
1) Archaic.

Anagrams[edit]