uitbroeden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ broeden

Verb[edit]

uitbroeden

  1. to hatch out

Inflection[edit]

Inflection of uitbroeden (weak, separable)
infinitive uitbroeden
past singular broedde uit
past participle uitgebroed
infinitive uitbroeden
gerund uitbroeden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular broed uit broedde uit uitbroed uitbroedde
2nd person sing. (jij) broedt uit broedde uit uitbroedt uitbroedde
2nd person sing. (u) broedt uit broedde uit uitbroedt uitbroedde
2nd person sing. (gij) broedt uit broedde uit uitbroedt uitbroedde
3rd person singular broedt uit broedde uit uitbroedt uitbroedde
plural broeden uit broedden uit uitbroeden uitbroedden
subjunctive sing.1 broede uit broedde uit uitbroede uitbroedde
subjunctive plur.1 broeden uit broedden uit uitbroeden uitbroedden
imperative sing. broed uit
imperative plur.1 broedt uit
participles uitbroedend uitgebroed
1) Archaic.

Anagrams[edit]