uitgooien

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ gooien

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitgooien ‎(past singular gooide uit, past participle uitgegooid)

  1. to remove (from a premises), throw out (general)
  2. to cast (throw a fishing line or net into the water)

Conjugation[edit]

Inflection of uitgooien (weak, separable)
infinitive uitgooien
past singular gooide uit
past participle uitgegooid
infinitive uitgooien
gerund uitgooien n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular gooi uit gooide uit uitgooi uitgooide
2nd person sing. (jij) gooit uit gooide uit uitgooit uitgooide
2nd person sing. (u) gooit uit gooide uit uitgooit uitgooide
2nd person sing. (gij) gooit uit gooide uit uitgooit uitgooide
3rd person singular gooit uit gooide uit uitgooit uitgooide
plural gooien uit gooiden uit uitgooien uitgooiden
subjunctive sing.1 gooie uit gooide uit uitgooie uitgooide
subjunctive plur.1 gooien uit gooiden uit uitgooien uitgooiden
imperative sing. gooi uit
imperative plur.1 gooit uit
participles uitgooiend uitgegooid
1) Archaic.

Anagrams[edit]