uithouwen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈœy̯tˌɦɑu̯wə(n)/
  • (file)

Etymology[edit]

From uit +‎ houwen.

Verb[edit]

uithouwen

  1. to hew out

Inflection[edit]

Inflection of uithouwen (strong class 7, separable)
infinitive uithouwen
past singular hieuw uit
past participle uitgehouwen
infinitive uithouwen
gerund uithouwen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular houw uit hieuw uit uithouw uithieuw
2nd person sing. (jij) houwt uit hieuw uit uithouwt uithieuw
2nd person sing. (u) houwt uit hieuw uit uithouwt uithieuw
2nd person sing. (gij) houwt uit hieuwt uit uithouwt uithieuwt
3rd person singular houwt uit hieuw uit uithouwt uithieuw
plural houwen uit hieuwen uit uithouwen uithieuwen
subjunctive sing.1 houwe uit hieuwe uit uithouwe uithieuwe
subjunctive plur.1 houwen uit hieuwen uit uithouwen uithieuwen
imperative sing. houw uit
imperative plur.1 houwt uit
participles uithouwend uitgehouwen
1) Archaic.
Inflection of uithouwen (weak with strong past participle, separable)
infinitive uithouwen
past singular houwde uit
past participle uitgehouwen
infinitive uithouwen
gerund uithouwen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular houw uit houwde uit uithouw uithouwde
2nd person sing. (jij) houwt uit houwde uit uithouwt uithouwde
2nd person sing. (u) houwt uit houwde uit uithouwt uithouwde
2nd person sing. (gij) houwt uit houwde uit uithouwt uithouwde
3rd person singular houwt uit houwde uit uithouwt uithouwde
plural houwen uit houwden uit uithouwen uithouwden
subjunctive sing.1 houwe uit houwde uit uithouwe uithouwde
subjunctive plur.1 houwen uit houwden uit uithouwen uithouwden
imperative sing. houw uit
imperative plur.1 houwt uit
participles uithouwend uitgehouwen
1) Archaic.

Anagrams[edit]