uitleveren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

uit + leveren

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitleveren ‎(past singular leverde uit, past participle uitgeleverd)

  1. to extradite

Conjugation[edit]

Inflection of uitleveren (weak, separable)
infinitive uitleveren
past singular leverde uit
past participle uitgeleverd
infinitive uitleveren
gerund uitleveren n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular lever uit leverde uit uitlever uitleverde
2nd person sing. (jij) levert uit leverde uit uitlevert uitleverde
2nd person sing. (u) levert uit leverde uit uitlevert uitleverde
2nd person sing. (gij) levert uit leverde uit uitlevert uitleverde
3rd person singular levert uit leverde uit uitlevert uitleverde
plural leveren uit leverden uit uitleveren uitleverden
subjunctive sing.1 levere uit leverde uit uitlevere uitleverde
subjunctive plur.1 leveren uit leverden uit uitleveren uitleverden
imperative sing. lever uit
imperative plur.1 levert uit
participles uitleverend uitgeleverd
1) Archaic.

Anagrams[edit]