uitschieten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From uit +‎ schieten

Verb[edit]

uitschieten

  1. to shoot out
  2. to eject, to throw (out)
  3. (especially of plants) to grow rapidly
  4. (clothing) to take off quickly
  5. (figuratively) to be extraordinary, to excel beyond the average

Inflection[edit]

Inflection of uitschieten (strong class 2, separable)
infinitive uitschieten
past singular schoot uit
past participle uitgeschoten
infinitive uitschieten
gerund uitschieten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular schiet uit schoot uit uitschiet uitschoot
2nd person sing. (jij) schiet uit schoot uit uitschiet uitschoot
2nd person sing. (u) schiet uit schoot uit uitschiet uitschoot
2nd person sing. (gij) schiet uit schoot uit uitschiet uitschoot
3rd person singular schiet uit schoot uit uitschiet uitschoot
plural schieten uit schoten uit uitschieten uitschoten
subjunctive sing.1 schiete uit schote uit uitschiete uitschote
subjunctive plur.1 schieten uit schoten uit uitschieten uitschoten
imperative sing. schiet uit
imperative plur.1 schiet uit
participles uitschietend uitgeschoten
1) Archaic.

Derived terms[edit]