uitsluiten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit- +‎ sluiten

Verb[edit]

uitsluiten

  1. to exclude
  2. to preclude

Inflection[edit]

Inflection of uitsluiten (strong class 2, separable)
infinitive uitsluiten
past singular sloot uit
past participle uitgesloten
infinitive uitsluiten
gerund uitsluiten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sluit uit sloot uit uitsluit uitsloot
2nd person sing. (jij) sluit uit sloot uit uitsluit uitsloot
2nd person sing. (u) sluit uit sloot uit uitsluit uitsloot
2nd person sing. (gij) sluit uit sloot uit uitsluit uitsloot
3rd person singular sluit uit sloot uit uitsluit uitsloot
plural sluiten uit sloten uit uitsluiten uitsloten
subjunctive sing.1 sluite uit slote uit uitsluite uitslote
subjunctive plur.1 sluiten uit sloten uit uitsluiten uitsloten
imperative sing. sluit uit
imperative plur.1 sluit uit
participles uitsluitend uitgesloten
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]