uitspreken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ spreken

Verb[edit]

uitspreken

  1. to pronounce
  2. to announce
  3. (reflexive) to speak out

Inflection[edit]

Inflection of uitspreken (strong class 4, separable)
infinitive uitspreken
past singular sprak uit
past participle uitgesproken
infinitive uitspreken
gerund uitspreken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular spreek uit sprak uit uitspreek uitsprak
2nd person sing. (jij) spreekt uit sprak uit uitspreekt uitsprak
2nd person sing. (u) spreekt uit sprak uit uitspreekt uitsprak
2nd person sing. (gij) spreekt uit spraakt uit uitspreekt uitspraakt
3rd person singular spreekt uit sprak uit uitspreekt uitsprak
plural spreken uit spraken uit uitspreken uitspraken
subjunctive sing.1 spreke uit sprake uit uitspreke uitsprake
subjunctive plur.1 spreken uit spraken uit uitspreken uitspraken
imperative sing. spreek uit
imperative plur.1 spreekt uit
participles uitsprekend uitgesproken
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]