uitstappen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ stappen (to step, to walk)

Verb[edit]

uitstappen

  1. to get off (a vehicle or a vessel)
  2. (informal) to die

Inflection[edit]

Inflection of uitstappen (weak, separable)
infinitive uitstappen
past singular stapte uit
past participle uitgestapt
infinitive uitstappen
gerund uitstappen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular stap uit stapte uit uitstap uitstapte
2nd person sing. (jij) stapt uit stapte uit uitstapt uitstapte
2nd person sing. (u) stapt uit stapte uit uitstapt uitstapte
2nd person sing. (gij) stapt uit stapte uit uitstapt uitstapte
3rd person singular stapt uit stapte uit uitstapt uitstapte
plural stappen uit stapten uit uitstappen uitstapten
subjunctive sing.1 stappe uit stapte uit uitstappe uitstapte
subjunctive plur.1 stappen uit stapten uit uitstappen uitstapten
imperative sing. stap uit
imperative plur.1 stapt uit
participles uitstappend uitgestapt
1) Archaic.

Anagrams[edit]