versleutelen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From ver- +‎ sleutel ‎(key).

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

versleutelen ‎(past singular versleutelde, past participle versleuteld)

  1. (computing) to encrypt

Conjugation[edit]

Inflection of versleutelen (weak, prefixed)
infinitive versleutelen
past singular versleutelde
past participle versleuteld
infinitive versleutelen
gerund versleutelen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular versleutel versleutelde
2nd person sing. (jij) versleutelt versleutelde
2nd person sing. (u) versleutelt versleutelde
2nd person sing. (gij) versleutelt versleutelde
3rd person singular versleutelt versleutelde
plural versleutelen versleutelden
subjunctive sing.1 versleutele versleutelde
subjunctive plur.1 versleutelen versleutelden
imperative sing. versleutel
imperative plur.1 versleutelt
participles versleutelend versleuteld
1) Archaic.

Derived terms[edit]