verwaarlozen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

verwaarlozen ‎(past singular verwaarloosde, past participle verwaarloosd)

  1. to neglect, slack off

Conjugation[edit]

Inflection of verwaarlozen (weak, prefixed)
infinitive verwaarlozen
past singular verwaarloosde
past participle verwaarloosd
infinitive verwaarlozen
gerund verwaarlozen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verwaarloos verwaarloosde
2nd person sing. (jij) verwaarloost verwaarloosde
2nd person sing. (u) verwaarloost verwaarloosde
2nd person sing. (gij) verwaarloost verwaarloosde
3rd person singular verwaarloost verwaarloosde
plural verwaarlozen verwaarloosden
subjunctive sing.1 verwaarloze verwaarloosde
subjunctive plur.1 verwaarlozen verwaarloosden
imperative sing. verwaarloos
imperative plur.1 verwaarloost
participles verwaarlozend verwaarloosd
1) Archaic.