vloeien

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Old Dutch *fluoien, from Proto-Germanic *flōaną.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

vloeien ‎(past singular vloeide, past participle gevloeid)

  1. to flow

Conjugation[edit]

Inflection of vloeien (weak)
infinitive vloeien
past singular vloeide
past participle gevloeid
infinitive vloeien
gerund vloeien n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vloei vloeide
2nd person sing. (jij) vloeit vloeide
2nd person sing. (u) vloeit vloeide
2nd person sing. (gij) vloeit vloeide
3rd person singular vloeit vloeide
plural vloeien vloeiden
subjunctive sing.1 vloeie vloeide
subjunctive plur.1 vloeien vloeiden
imperative sing. vloei
imperative plur.1 vloeit
participles vloeiend gevloeid
1) Archaic.

Related terms[edit]