voortbrengen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From voort +‎ brengen. Analogous to English bring forth.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

voortbrengen ‎(past singular bracht voort, past participle voortgebracht)

  1. to engender
  2. to produce

Conjugation[edit]

Inflection of voortbrengen (weak with past in -cht, separable)
infinitive voortbrengen
past singular bracht voort
past participle voortgebracht
infinitive voortbrengen
gerund voortbrengen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular breng voort bracht voort voortbreng voortbracht
2nd person sing. (jij) brengt voort bracht voort voortbrengt voortbracht
2nd person sing. (u) brengt voort bracht voort voortbrengt voortbracht
2nd person sing. (gij) brengt voort bracht voort voortbrengt voortbracht
3rd person singular brengt voort bracht voort voortbrengt voortbracht
plural brengen voort brachten voort voortbrengen voortbrachten
subjunctive sing.1 brenge voort brachte voort voortbrenge voortbrachte
subjunctive plur.1 brengen voort brachten voort voortbrengen voortbrachten
imperative sing. breng voort
imperative plur.1 brengt voort
participles voortbrengend voortgebracht
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]